Recensie van een recensie: Mismatch van Mark van Vugt en Ronald Giphart

En de tragiek van mismatch in de academische wereld…

Recent duwde een kennis mij met zorgelijke blik een krantenknipsel in de hand. Het was een vernietigende recensie van Mark van Vugt en Ronald Gipharts boek Mismatch. De auteur was hoogleraar psychologie Harald Merckelbach, iemand wiens werk ik als jonge onderzoeker had gelezen. Ik rekende hem tot de “goeden”, de (toen) beperkte groep psychologen die wetenschappelijk onderzoek wèl serieus nam.

Zelf werk ik nauw samen met Mark van Vugt en dan is de kans natuurlijk groot dat je een dergelijke recensie met enige partijdigheid leest. Ik zie Merckelbach echter als een serieuze wetenschapper en ik houd niet van partijdigheid in dit soort zaken. De wetenschap moet leidend zijn. Ik kon mij ook wel wat kritiek voorstellen. Wanneer je populair wetenschappelijk schrijft ontkom je er niet aan om de nuances van het wetenschappelijk debat geweld aan te doen. Ik stond daarom volledig open voor wat ongezouten inhoudelijke kritiek op het werk van mijn collega. Ik was echter snel teleurgesteld. In deze blog zal ik de belangrijkste kritiekpunten van Merckelbach gebruiken om een aantal misconcepties over evolutionaire psychologie te weerleggen en het belang van het werk van Van Vugt en Giphart toe te lichten.

Wat is mismatch?
Mismatch is het idee dat ons brein door biologische evolutie is uitgerust met mechanismen, die in onze moderne omgeving niet altijd even functioneel zijn. Een klassiek voorbeeld is onze ingebouwde voorkeur voor zoet, zout en vet eten. In de omgeving waarin de mens is geëvolueerd (gemakshalve door Van Vugt en Giphart aangeduid als de savanne; hier ontbreekt inderdaad de nuance) hielp deze voorkeur de mens om de juiste culinaire keuzes te maken. In onze moderne omgeving van fastfood helpt deze voorkeur je eerder aan hartfalen. Dit is een weinig controversieel gegeven, voedingsproducenten weten het al jaren en neurowetenschappers hebben laten zien hoe het werkt in het brein. Mismatch kan op veel niveaus problemen veroorzaken. Een ander klassiek voorbeeld is hoe mensen (zeker de laatste 800.000 jaar) leefden in kleine en hechte groepen waarin een hoge mate van onderlinge afhankelijkheid was. Dit is een compleet andere omgeving dan de grote en anonieme steden waar mensen nu vaak wonen. Wetenschappers weten al vrij lang dat dit een negatieve invloed heeft op ons welzijn. Stedelingen ervaren bijvoorbeeld meer stress dan mensen die in een dorp leven. Uiteraard zijn hier ook andere verklaringen voor dan mismatch, maar de mismatch hypothese wordt op dit punt door redelijk wat onderzoek ondersteund. Van Vugt en Giphart komen met tal van dit soort voorbeelden. Soms zijn de voorbeelden wat speculatief, soms is er wel veel onderzoek (dat in verband met de leesbaarheid niet wordt opgesomd). Soms gaat nuance verloren, maar de auteurs blijven naar mijn mening binnen de marges van wat je van een populair wetenschappelijk boek mag verwachten.

Leren of instinct?
Merckelbach richt zijn pijlen als eerste op de angst voor spinnen. Hoezo is dit aangeboren? Waarom niet gewoon aangeleerd door Hollywoodfilms. Achter de kritiek schuilt een belangrijke misconceptie over de evolutionaire psychologie, namelijk dat deze de invloed van leren en cultuur negeert. De tegenstelling tussen leren en instinct is echter vals en reeds lang achterhaald. Ruim dertig jaar geleden toonde de psychologe Susan Mineka bijvoorbeeld met een aantal ingenieuze experimenten aan dat het eenvoudig is om een jong aapje angst voor slangen aan te leren, maar dat het heel moeilijk is het beestje angst voor bloemen aan te leren. Het beestje wordt niet geboren met een angst voor slangen, maar heeft als het ware een aanleg om die angst te ontwikkelen. Dit lijkt ook bij mensen het geval. Dat er culturen zijn waar spinnen een delicatesse zijn, is dus niet in strijd met het idee dat mensen een aangeboren angst voor spinnen hebben (de smaak voor spinnen is in dit soort culturen overigens vaak ontstaan vanuit noodzaak, zoals hongersnood). Ook Hollywoodfilms kunnen invloed hebben op de angst voor spinnen. Hoe zoiets zich ontwikkelt is afhankelijk van vele factoren. De ontwikkeling van het brein is altijd een complex samenspel tussen genen en omgeving. Neem bijvoorbeeld taal. Er is een duidelijke genetische basis voor de ontwikkeling van taal, maar niet voor een specifieke taal. Er is een instinct voor taal, maar niet een instinct voor Nederlands.

Voor Merckelbach is het voorbeeld van spinnen volledig willekeurig. Waarom zijn we niet bang voor paddenstoelen, vraagt hij zich af, deze waren minstens even gevaarlijk voor onze voorouders! Een antwoord zou kunnen zijn dat de angst voor slangen en spinnen veel ouder is dan de menselijke soort. Denk aan het experiment van Mineka: chimpansees (met wie wij zo’n 97% van ons genetisch materiaal delen) zijn ook bang voor deze beestjes. Evolutie gooit niet snel iets weg, dus waarom dit handige slang-vermijdingsmechanisme dat miljoenen jaren goed werk deed voor onze primaat-voorouders? Een waarschijnlijke verklaring van de afwezigheid van paddenstoelenangst is dat dit probleem op het niveau van cultuur werd opgelost. Jager-verzamelaars hebben een encyclopedische kennis van hun natuurlijke omgeving en weten precies wat je wel en niet kunt eten (en er zijn redelijke aanwijzingen dat ook in dit leerproces instinctieve mechanismen een rol spelen in hoe we leren).

Van een hoogleraar psychologie verwacht ik dat hij op de hoogte is van al deze nuances in het debat. Niets lijkt minder waar, Merckelbach omarmt de misconceptie dat evolutionair psychologen niet in de invloed van leren en cultuur geloven. Hij concludeert zijn kritiek dan ook met: “niets is zo flexibel als het menselijk brein”. Het lijkt mij moeilijk een evolutionair psycholoog te vinden die dit betwijfelt. Van Vugt zeker niet.

Evolutionaire verhaaltjes
De kritiek van Merckelbach op het voorbeeld van spinnen en auto’s illustreert nog een tweede misconceptie over evolutionaire psychologie: verklaringen zijn slechts verhaaltjes. Merckelbach: “als het nou zo was geweest dat mensen veel angst voor auto’s hadden en niet voor spinnen, dan had daar ook moeiteloos een evolutionair verhaal bij verzonnen kunnen worden”. Hij lijkt hier een punt te hebben. Dat mensen bang zijn voor spinnen omdat deze voor onze voorouders een risico waren, is slechts een verhaal. Het verhaal bewijst niets. Misschien waren er niet eens spinnen in de omgeving waarin onze voorouders leefden! Met andere woorden: evolutionaire psychologie is op drijfzand gebaseerd. Dit is echter een karikatuur en onvolledig. In de evolutionaire psychologie worden hypotheses geformuleerd op basis van gedegen analyses van omgevingsvariabelen. We weten veel over hoe jager-verzamelaars (mensen die leven zoals onze voorouders) leven en voor welke uitdagingen zij staan. Analyse van gedrag vanuit een evolutionair-biologisch perspectief kent ook een lange traditie in de biologie en is op geen enkele wijze wetenschappelijk verdacht (al kan het uiteraard op een betere of slechtere manier gedaan worden). Het voorstellen als creatief verhalen verzinnen is dan ook een karikatuur.

Deze karikatuur schetst ook een onvolledig beeld van de evolutionaire psychologie. Evolutionaire analyses zijn een rijke bron van toetsbare hypotheses. De wetenschappelijke basis van evolutionaire psychologie ligt echter niet in de evolutionaire analyse, maar in het wetenschappelijke onderzoek dat het stimuleert. Laat ik mijn eigen onderzoek als voorbeeld te nemen. Op basis van een evolutionaire analyse van leiderschap kom ik tot een aantal hypotheses over hoe leiderschap werkt en wanneer mensen leiders zullen volgen. Dat is mijn verhaal. Vervolgens onderzoek ik dit in organisaties. Reageren ondergeschikten inderdaad zo op leidinggevenden als ik voorspel? Dat is mijn wetenschappelijke werk. Als ik populair schrijf of een lezing geef, dan vertel ik maar beperkt over mijn onderzoek. Het verhaal staat centraal, want dat spreekt mensen aan en maakt e.e.a. begrijpelijk. Dit is ook wat van Van Vugt en Giphart hebben gedaan. Zij hebben een verhaal verteld, zonder de lezer te vermoeien met teveel nuances en onderzoek. Het boek is voor het grote publiek, niet voor een selectief groepje wetenschappers.

De roze-bril-mismatch-hypothese
Halverwege de recensie begon mijn irritatie langzaam om te slaan in vermaak. Merckelbach probeert zijn gelijk te illustreren met onderzoek dat juist het tegendeel doet. Mensen blijken nogal slecht in het inschatten van de kans dat hen allerlei ellende overkomt, zo laat hij zien aan de hand van een onderzoek. We hebben een roze bril op. Maar waar komt die bril vandaan? Merckelbach geeft zelf het antwoord met een door hem zelf verzonnen verhaaltje over de mogelijke evolutionaire waarde van zo’n bril. Ik ken het betreffende onderzoek niet, maar kan mij zo voorstellen dat evolutie een dergelijk mechanisme heeft doen ontstaan. Dit mechanisme kan vervolgens ook allerlei problemen opleveren, bijvoorbeeld dat we te weinig maatregelen nemen tegen vermijdbare risico’s. Voilà, een voorbeeld van mismatch! De roze-bril-mismatch-hypothese illustreert het belang van het werk van Van Vugt en Giphart: ons brein zet ons in veel zaken op het verkeerde been. Hierdoor maken we regelmatig keuzes die onhandig zijn of ons zelfs schaden. Inzicht hierin plaatst veel van de uitdagingen waar wij voor staan in een ander licht en kan helpen betere keuzes te maken in het leven. Hier ligt het belang van het werk van beide auteurs.

Van Vugt en Giphart doen een succesvolle poging belangrijk wetenschappelijk onderzoek naar een breed publiek te brengen. Merckelbach bestempelt dit vervolgens als Fred Flintstone psychologie. Hiermee doet hij naar mijn mening de wetenschap vele malen meer schade, dan wanneer Van Vugt en Giphart wetenschappelijke nuances onderbelicht laten. Er is veel kennis op universiteiten die waardevol is voor het publiek, maar waar niemand van profiteert omdat een groot deel van de wetenschappers de neus ophalen voor populair schrijven. Van Vugt steekt hier duidelijk zijn nek uit, en vervolgens is er een collega hoogleraar die er op ordinaire wijze op in hakt. Het stuk van Merckelbach is zo slecht doordacht, dat het bij mij de vraag oproept waarom een hoogleraar op deze ongenuanceerde wijze met modder gooit. Afgunst? Of is het een achterhoede gevecht van de traditionele psychologie tegen de opkomende generatie van biologisch georiënteerde psychologen? Misschien heeft Merckelbach een te roze bril op en denkt hij deze beweging tegen te kunnen houden met dit soort denigrerende stukjes. Of het nu afgunst of lijfsbehoud is, het lijkt mij een hoogleraar onwaardig.

Lees hier de recensie van Merckelbach | Koop hier het boek van Van Vugt en Giphart

LinkedInDelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *