Waarom bescheidenheid en behulpzaamheid uiteindelijk beter is dan zelfvertrouwen

Een oudere vriend drukte mij ooit het volgende op het hart: ik ken zoveel mensen die niets kunnen en alles doen, en zoveel mensen die zoveel kunnen en er niets mee doen. Ik stond aan het begin van mijn carrière en begreep denk ik nog onvoldoende zijn waarschuwing. 20 jaar later heeft de praktijk mij voldoende bijgespijkerd. De wetenschappelijke term voor dit fenomeen is het Dunning-Kruger effect (hier had mijn vriend overigens nooit van gehoord). Dit effect houdt in dat wanneer mensen wordt gevraagd hun vaardigheidsniveau in te schatten, degenen met het laagste vaardigheidsniveau zich vaak bij de beste scharen. De besten daarentegen schatten zichzelf te laag in.

Mensen zijn chronische zelf-overschatters
Er zijn twee verklaringen voor het Dunning-Kruger effect die elkaar aanvullen: de cognitieve en de evolutionaire. De cognitieve verklaring is dat incompetente mensen niet over voldoende kennis en ervaring beschikken om een adequate inschatting te kunnen maken van hun niveau. Mensen met een hoog vaardigheidsniveau gaat het gemakkelijk af, waardoor ze denken dat het makkelijk is en hun prestatie niets bijzonders.

Waarom zou een incompetent iemand zich echter te hoog schatten? Als hij te weinig kennis heeft om goed te schatten, zou hij zijn niveau net zo goed te laag kunnen schatten. Mensen zijn echter chronische zelfoverschatters. 70% van autorijdend Nederland ziet zichzelf bijvoorbeeld als een betere chauffeur dan gemiddeld. Dit effect komt in een veelheid van studies naar voren: iedereen vindt zichzelf beter dan hij of zij is. Het gebrek aan kennis en ervaring bij de leek maakt alleen dat deze instinctieve overwaardering van eigen kunnen minder beperkt wordt door realisme. Zoals de beroemde Charles Darwin ooit schreef: Ignorance more frequently begets confidence than does knowledge.

Uitslovers uitsluiten
Waarom schatten competente mensen zich dan lager in? Om dit te begrijpen moeten we terug naar de functie van over- en onderschatten. Voor ons als sociaal dier draait alles om hoe we ons positioneren in onze sociale groep. Als je jezelf beter kan voordoen dan je bent, dan levert dat sociale punten op. Anderen hebben een hogere pet van je op, wat allerlei biologisch relevante voordelen oplevert. Meer aanzien betekent meer invloed en bij onze voorouders betekende dit ook meer kinderen (op school hebben de uitslovers ook eerder en vaker seks blijkt uit onderzoek). Maar wat nou als je al heel goed bent?

Onderzoek laat zien dat mensen met een hoog niveau van competentie, kwetsbaar worden voor sociale uitsluiting (wat vanuit biologisch oogpunt rampzalig is). Wanneer je veel beter bent dan de rest, kan die rest dit als hun risico voor hun eigen positie ervaren. Die angst is niet geheel ongegrond. Iemand die heel goed is wil het nog wel eens naar de bol stijgen en daardoor pretenties krijgen. Om dit voor te zijn, doen succesvolle jagers bij primitieve volkeren vaak hun uiterste best om duidelijk te maken dat hun prestaties niet zoveel voorstellen.

Bescheidenheid of zelfvertrouwen
Het is belangrijk te begrijpen dat de groep niet tegen succes is, ze zijn bang dat een succesvol iemand zich arrogant of dominant gaat opstellen. Die gevoelens van incompetentie en minderwaardigheid, die menig talent plaagt, zijn niet een obstakel zoals veel goeroes vertellen. Het zijn juist beschermingsmechanismen tegen sociale uitsluiting. Maak jezelf klein en mensen vinden je aardig. Er is echter nog een andere optie. Door je bescheiden en behulpzaam op te stellen, kun je de angst bij anderen wegnemen en je competentie ontplooien. En hier zit een bonus: een grote hoeveelheid onderzoek, inclusief mijn eigen, laat zien dat competentie en bescheidenheid twee van de belangrijkste voorspellers zijn van leiderschap. Mensen die iets in hun mars hebben en er niet voor zichzelf staan, daar lopen we graag achter aan.

LinkedInDelen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *